Bouwstenen zienswijze ontwerp-inpassingsplan Windpark N33




Naam: …………………………………………

Adres: ..………………………………………

Woonplaats: ….…………………………..




Aan:


Bureau Energieprojecten,

Inspraakpunt Windpark N33

Postbus 248

2250 AE VOORSCHOTEN






Plaats, ………...........

Datum, …………………………….. 2016



Excellentie,


Bij de terinzagelegging van het ontwerp-inpassingsplan, het milieueffectrapport, de ontwerpbesluiten en de onderliggende stukken voor Windpark N33, heeft u eenieder in de gelegenheid gesteld om in de periode van 30 september 2016 tot en met 10 november 2016 een zienswijze in te dienen. Ik maak van die gelegenheid graag gebruik. Daarom zend ik u hierbij mijn zienswijze.


  1. MAATSCHAPPELIJK DRAAGVLAK ONTBREEKT


Ik wens stil te staan bij het volgende. De realisatie van windpark N33 is zeer ingrijpend voor Veendam en haar bewoners. Niet alleen zal het landschap ingrijpend worden gewijzigd, maar het splijt ook de gemeenschap: initiatiefnemers worden gewantrouwd en tegenstanders voelen zich niet gehoord. Het geringe maatschappelijke draagvlak is met name gelegen in de gebrekkige en eenzijdige communicatie vanuit het Rijk over dit project. Het beeld dat nu bij de gemeenschap leeft – en wederom wordt bevestigd door de inhoud van het ontwerp-inpassingsplan – is, dat de plannen zijn toegeschreven naar de wensen en financiële belangen van de initiatiefnemers. De ruimtelijke, maatschappelijke en landschappelijke belangen die juist doorslaggevend hadden moeten zijn en in de afweging hadden moeten worden betrokken, zijn van meet af aan ondergeschikt geweest aan deze financiële belangen. Die handelwijze van het Rijk steekt mij. Zeker, omdat uit de hiernavolgende zienswijzen onmiskenbaar blijkt dat er andere alternatieven mogelijk zijn waarvoor zowel maatschappelijk draagvlak als een goede c.q. betere ruimtelijke en landschappelijke inpassing mogelijk is.


Gezien het totale gebrek aan maatschappelijk draagvlak, verzoek ik u met klem om het traject van nu af aan zodanig vorm te geven dat serieus met de belangen van de inwoners van het betreffende gebied rekening wordt gehouden: niet het Rijk (in Den Haag), maar zij zitten immers, als de realisatie van het park doorgaat, de komende 30 jaar vast aan de door u in procedure gebrachte plannen.


  1. GEEN NOODZAAK TOT REALISATIE WINDPARK


Ik ben van mening dat er geen noodzaak bestaat tot realisatie van een windpark, omdat de energiedoelstellingen ook op een alternatieve wijze bereikt kunnen worden die wel draagvlak bij inwoners, de lokale politiek en het bedrijfsleven heeft.


  1. Achtergrond


Ons land staat aan de vooravond van een grote energietransitie. In dat kader heeft het Rijk zich tot doel gesteld dat in 2020 14% van de energie duurzaam moet zijn. Om dat doel te bereiken, heeft het Rijk zich – zo blijkt mede uit de Structuurvisie Windenergie Op Land –tot doel gesteld dat in 2020 6000 MW aan windenergie dient te zijn gerealiseerd. Voor de provincie Groningen geldt specifiek dat zij zich heeft gecommitteerd aan de realisatie van 855,5 MW windenergie op land, waarbij windpark N33 zo’n 120 MW zal gaan genereren.


Hoewel ik voorstander ben van de toepassing van duurzame energie, acht ik het wel van belang dat de wijze waarop de genoemde doelstelling bereikt wordt, moet kunnen rekenen op maatschappelijk draagvlak, gekoppeld aan een duurzame economische ontwikkeling. Met de realisatie van windpark N33 gaat het Rijk compleet voorbij aan dit uitgangspunt.


  1. Rijk heeft geen oog voor potentie van zonne-energie


Feit is namelijk, dat de doelstellingen voor duurzame energie niet per definitie via windenergie hoeven te worden gerealiseerd. Ik verwijs daartoe naar de Tweede Kamer motie van het Kamerlid Smaling (30 196, nr. 404). Daarin werd de regering namelijk uitdrukkelijk opgeroepen om bij de verdere besluitvorming over het windpark N33 nadrukkelijk oog te hebben voor het mogelijk inwisselen van windenergie voor zonne-energie en de plannen voor zonneparken in de regio bij de besluitvorming te betrekken. Tevens heeft de Tweede Kamer u gevraagd om een maatschappelijke kosten-batenanalyse uit te voeren naar de huidige en de verwachte energieopwekking uit zon en wind op land (30 196, nr. 452).


Ter vergelijking wijs ik u erop dat onderzoeksbureau Royal Haskoning DHV voor het naastgelegen windpark De Drentse Monden - Oostermoer een maatschappelijke kosten- en batenanalyse heeft uitgevoerd. Hieruit volgt dat zonne-energie – al dan niet in combinatie met windenergie – een uitstekend alternatief vormt.


Voor het voorziene windpark N33 is in dat kader van belang dat de afgelopen periode reeds vergunningen zijn verleend voor de realisatie van zonne-parken die in totaal zo’n 120 MW aan zonne-energie zullen gaan genereren. Hierdoor heeft de regio er feitelijk zelf al voor gezorgd dat in 2020 de doelstelling van 120 MW aan duurzame energie via zonneparken wordt gerealiseerd:


  • bij Sappemeer-Noord is een zonnepark ter grootte van 117 ha voorzien waarmee zo’n 97 MW per jaar aan zonne-energie kan worden opgewekt. De daartoe benodigde omgevingsvergunning is op 7 oktober jl. verleend;

  • aan de Industrieweg in Veendam (“de Leeuweriklocatie”) is een zonnepark ter grootte van 6,5 ha en 54.032 zonnepanelen voorzien. De daartoe benodigde omgevingsvergunning is op 2oktober 2015 verleend;

  • aan de Industrieweg in Veendam (“Energie Park Veendam”) is een zonnepark ter grootte van 4,5 ha en 10.260 zonnepanelen voorzien. De daartoe benodigde omgevingsvergunning is op 7 oktober jl. verleend;

  • tot slot zijn er concrete voornemens om op het Wilkensterrein een zonne-park ter grootte van 4,4 ha te realiseren.


Deze voorbeelden alleen al laten zien dat met gebruikmaking (en intensivering) van de potentie van zonne-energie het behalen van de energiedoelstellingen voor 2020 heel wel mogelijk is. Nu de realisatie van de voorziene zonne-parken – anders dan het voorziene windpark – bovendien wel draagvlak heeft bij de inwoners, de lokale politiek en het bedrijfsleven, bestaat er naar mijn mening geen noodzaak meer voor de realisatie van een windpark.


  1. Tussenconclusie


Gelet op het voorgaande meen ik dat door het Rijk te krampachtig wordt vastgehouden aan het in de Structuurvisie Windenergie Op Land opgenomen uitgangspunt dat de duurzame energiedoelstellingen via het realiseren van windparken bereikt moeten worden. Ten onrechte wordt geen aandacht besteed aan de potentie van zonne-energie. Nu bovendien in de regio is gebleken dat de energiedoelstellingen mét maatschappelijk draagvlak en makkelijk gerealiseerd kunnen worden via gebruikmaking (en intensivering) van de potentie van zonne-energie, bestaat er vanuit ruimtelijk opzicht geen enkele noodzaak meer voor de realisatie van windpark N33. Ik meen dan ook dat dient te worden afgezien van de realisatie van windpark N33.


  1. RIJKSCOÖRDINATIEREGELING IS TEN ONRECHTE TOEGEPAST OMDAT WINDPARK N33 NIET KAN WORDEN AANGEMERKT ALS ÉÉN PRODUCTIE-INSTALLATIE


Voor zover u van mening mocht zijn dat er toch een noodzaak bestaat tot het oprichten van een windmolenpark, dan meen ik dat de Rijkscoördinatieregeling van artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: “Wro”) in deze procedure ten onrechte is toegepast. Windpark N33 kan namelijk niet worden aangemerkt als één productie-installatie in de zin van artikel 9b van de Elektriciteitswet 1998. Nu het gevolg daarvan is dat geen sprake is van een productie-installatie van tenminste 100 MW, leidt dat ertoe dat de Rijkscoördinatieregeling ten onrechte is toegepast en het Rijk niet bevoegd is tot het vaststellen van een inpassingsplan.


Hierna licht ik dit standpunt nader toe. Daarbij zal ik eerst stilstaan bij de relevante feiten en het juridisch kader.


  1. Relevante feiten


De bedrijven Yard Energy Development B.V. en Blaaswind B.V., thans handelend onder de namen Windpark Vermeer Noord B.V., Windpark Vermeer Midden B.V. en Windpark Vermeer Zuid B.V. zijn de oorspronkelijke initiatiefnemers van de ontwikkeling van Windpark N33. Zij vormen samen het “samenwerkingsverband Windpark N33”. In het kader van dit samenwerkingsverband zijn de afgelopen jaren verschillende alternatieven voor de realisatie van het windpark ontwikkeld. Wij verwijzen daartoe naar de in het milieueffectrapport onderzochte varianten 1 tot en met 5 die tot stand zijn gekomen op initiatief van het samenwerkingsverband.


Op een later moment, maar in ieder geval na de totstandkoming van de varianten 1 tot en met 5, toonde ook RWE interesse in de realisatie van het windmolenpark omdat zij op de betreffende locatie inmiddels grondposities had verworven. Naar aanleiding daarvan is variant 6 tot stand gekomen.


Ondanks dat RWE wel met plannen kwam voor de realisatie van het windmolenpark, bleef – en blijft – RWE tot op heden apart van het samenwerkingsverband Windpark N33 opereren.

Tot toetreding van RWE tot het samenwerkingsverband is het dan ook nooit gekomen. Die scheiding blijkt overigens ook expliciet uit het gepresenteerde voorkeursalternatief. Daaruit volgt namelijk dat het Windpark N33 bestaat uit drie clusters of deelgebieden:


  1. 27 windmolens ten noorden van de kern Meeden;

  2. 4 windmolens ten oosten van Veendam en ten noorden van Ommelanderwijk, en;

  3. 4 windmolens ten zuidoosten van Veendam en ten zuiden van Ommelanderwijk.


Afbeelding 1Oval 5Right Arrow 7

Cluster 1

Oval 9 Right Arrow 10

Cluster 2

Oval 12 Right Arrow 13

Cluster 3


De voorziene clusters 2 en 3 worden slechts door het samenwerkingsverband Windpark N33 gerealiseerd. RWE is daarbij niet betrokken. Er is zelfs voorzien in drie aparte transformatorstations, zo volgt uit de bijlagen 1 tot en met 3 van het ontwerp-inpassingsplan. Daarbij komt, dat de beide partijen zich in overleggen apart laten vertegenwoordigen en dat er voor ieder cluster en door iedere initiatiefnemer aparte omgevingsvergunningen zijn aangevraagd waaruit volgt dat ieder cluster als aparte inrichting moet worden beschouwd. Verder is van belang dat op geen enkele wijze is gewaarborgd dat in het gehele windpark eenzelfde typewindturbines wordt gerealiseerd. Van een bundeling van belangen is dan ook geenszins sprake.


Ten aanzien van cluster 1 is nog het volgende van belang. Dit cluster wordt deels gerealiseerd door het samenwerkingsverband en deels door RWE (zie de onderstaande visualisatie; blauw is samenwerkingsverband, groen is RWE):


Afbeelding 2

Ook ten aanzien van dit cluster ontbreekt iedere vorm van samenwerking. Zo zijn de omgevingsvergunningen apart van elkaar aangevraagd en is in de beide aanvragen vermeld dat de windturbines van beide initiatiefnemers als een aparte inrichting moeten worden beschouwd.


Tot slot en los van het bovenstaande is voor de drie clusters nog van belang dat die erg ver van elkaar verwijderd zijn gelegen. Zo bedraagt de afstand tussen het zuidelijkste punt van cluster 1 en het noordelijkste punt van cluster 2 zo’n 4 kilometer en de afstand van het zuidelijke punt van cluster 1 en het noordelijkste punt van cluster 3 maar liefst 8 kilometer. Ter vergelijking wijs ik erop dat het ten zuiden van Windpark N33 gelegen Windpark Drentse Monden – Oostermoer slechts op 4 kilometer van het zuidelijkste punt van cluster 3 is gelegen (zie de onderstaande illustratie):


Afbeelding 3


  1. Juridisch kader


De totstandkoming van een windmolenpark kan met de Rijkscoördinatieregeling van artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wro worden voorbereid indien sprake is van:


De aanleg en uitbreiding van een productie-installatie, met inbegrip van de aansluiting van die installatie op een net, met een capaciteit van ten minste 100 MW, indien het betreft een installatie voor de opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie (zie artikel 9b, eerste lid, aanhef en onder a van de Elektriciteitswet 1998).


Voor wat betreft het antwoord op de vraag wat dient te worden verstaan onder het begrip productie-installatie, is het volgende in de memorie van toelichting bij de Wijziging van de Elektriciteitswet 1998, de Mijnbouwwet en de Gaswet in verband met de toepassing van de Rijkscoördinatieregeling op energie-infrastructuurprojecten vermeld:

Een productie-installatie kan bestaan uit meerdere productie-eenheden. Een productie-eenheid kan worden omschreven als de kleinst mogelijke entiteit waarmee zelfstandig elektriciteit kan worden opgewekt. Een aantal van die productie-eenheden die geografisch, technisch, functioneel of organisatorisch met elkaar samenhangen kunnen een productie-installatie vormen.Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een windmolenpark dat door één exploitant wordt beheerd of waarbij tussen de windmolens technische verbindingen bestaan. Elke windmolen is dan een productie-eenheid, terwijl het windmolenpark als geheel de productie-installatie is.1


Uit de nota naar aanleiding van het verslag volgt bovendien het volgende:

De leden van de SP-fractie vroegen zich verder nog af hoe de regering omgaat met bijvoorbeeld grootschalige windturbineparken die in totaal een vermogen van meer dan 100 MW beslaan, maar in de praktijk bestaan uit meerdere kleine productie-installaties, al dan niet van verschillende exploitanten. Zoals vermeld in de toelichting op artikel I, onderdeel A, van het wetsvoorstel, kan een productie-installatie uit meerdere productie-eenheden bestaan. Een productie-eenheid kan worden omschreven als de kleinst mogelijke entiteit waarmee zelfstandig elektriciteit kan worden opgewekt (bijvoorbeeld één windmolen). Een productie-installatie kan bestaan uit meerdere productie-eenheden. Het criterium is of de productie-eenheden zodanig geografisch, technisch, functioneel of organisatorisch met elkaar samenhangen dat sprake is van één productie-installatie. Deze eisen zijn niet cumulatief. Dat een aantal productie-eenheden door dezelfde exploitant wordt beheerd, is een belangrijke indicatie dat sprake is van één productie-installatie, maar is niet doorslaggevend. Ook als de productie-eenheden door meerdere exploitanten beheerd worden, kan sprake zijn van één productie-installatie. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als tussen de productie-eenheden technische verbindingen bestaan, zoals een gezamenlijke aansluiting op een net.Anderzijds zullen door dezelfde exploitant beheerder productie-eenheden geen productie-installatie zijn als die productie-eenheden op grote afstand van elkaar zijn gelegen en er tussen die eenheden geen technische of functionele verbindingen bestaan.2


Van belang is aldus, dat een windmolenpark één productie-installatie kan vormen indien de verschillende windmolens geografisch, technisch, functioneel of organisatorisch met elkaar samenhangen. Daarbij is het gegeven dat een aantal windmolens door dezelfde exploitant wordt beheerd, een belangrijke indicatie dat sprake is van één productie-installatie. Doorslaggevend is die indicatie echter niet. Ook als de windmolens door meerdere exploitanten beheerd worden, kan sprake zijn van één productie-installatie. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als tussen de productie-eenheden technische verbindingen bestaan, zoals een gezamenlijke aansluiting op een net. Een en ander volgt overigens ook uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1228 (Wieringermeer).


  1. Windpark N33 kan niet worden aangemerkt als één productie-installatie


Gelet op de voornoemde feiten en het juridisch kader ben ik van mening dat Windpark N33 niet kan worden aangemerkt als één productie-installatie in de zin van artikel 9b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Elektriciteitswet 1998. Van geografische, technische, functionele of organisatorische samenhang is namelijk geen sprake:


  • Geografische samenhang ontbreekt

Van geografische samenhang is om de volgende redenen geen sprake:

  • zoals volgt uit de afbeelding die onder het kopje “relevante feiten” is toegevoegd, bestaat het windpark uit drie afzonderlijke clusters. Deze afzonderlijke clusters vertonen geen enkele vorm van samenhang;

  • verder is van belang dat de drie clusters waaruit Windpark N33 bestaat erg ver van elkaar zijn gelegen. Daarmee is er sprake van onvoldoende ruimtelijke samenhang om ze te kunnen beschouwen als één productie-installatie. Zo bedraagt de afstand tussen het zuidelijkste punt van cluster 1 en het noordelijkste punt van cluster 2 zo’n 4 kilometer en de afstand van het zuidelijke punt van cluster 1 en het noordelijkste punt van cluster 3 maar liefst 8 kilometer;

  • ook geldt dat het ten zuiden van Windpark N33 gelegen Windpark Drentse Monden – Oostermoer op slechts 4 kilometer van het zuidelijkste punt van cluster 3 is gelegen. Die afstand is kleiner dan de afstanden die binnen het Windpark N33 worden gehanteerd. Nu bovendien vanuit landschappelijk oogpunt niet te zien is waar het ene windpark begint en het andere eindigt, is van enige geografische samenhang geen sprake.


  • Technische samenhang ontbreekt

Van technische samenhang is om de volgende redenen geen sprake:

  • De drie clusters kennen allemaal een eigen energievoorziening nu er is voorzien in aparte transformatorstations;

  • Verder geldt dat iedere aanvrager van een omgevingsvergunning zelf de aansluiting op het elektriciteitsnet verzorgt;

  • Tot slot is van belang dat op geen enkele wijze is geborgd dat uiteindelijk in het gehele gebied dezelfde windturbines worden gerealiseerd zodat sprake is van een samenhangend windmolenpark. Op grond van artikel 4.1.2a onder 5 van de planregels hoeven de windturbines namelijk slechts per cluster of deelgebied identiek te zijn.


  • Functionele samenhang ontbreekt

Van functionele samenhang is geen sprake omdat geen gemeenschappelijk gebruik wordt gemaakt van bepaalde ruimten of bedrijfsmiddelen. Niet voor niets volgt uit de aanvragen om omgevingsvergunning dat sprake zal zijn van vier aparte inrichtingen. De drie clusters kunnen en zullen dan ook volledig zelfstandig functioneren.


  • Organisatorische samenhang ontbreekt

Tot slot ontbreekt ook de vereiste organisatorische samenhang, omdat:

  • De drie clusters worden geëxploiteerd door verschillende exploitanten. Cluster 1 wordt deels geëxploiteerd door het samenwerkingsverband Windpark N33 en RWE. De voorziene clusters 2 en 3 worden echter slechts door het samenwerkingsverband Windpark N33 geëxploiteerd. RWE is daarbij niet betrokken;

  • RWE geen onderdeel uitmaakt van het samenwerkingsverband Windpark N33 en er niet of nauwelijks onderlinge afstemming plaatsvindt. Zo valt op dat op het moment dat de aanvragen niet door Pondera worden gecoördineerd, het samenwerkingsverband N33 en RWE beide andere bedrijven inschakelen voor het uitvoeren van onderzoeken (zie onder meer de bijlagen 4B en 4C bij de aanvragen om omgevingsvergunning);

  • Van belang is overigens ook dat ten aanzien van cluster 1 de onderlinge organisatorische samenhang ontbreekt, omdat de ingediende vergunningaanvragen niet gezamenlijk zijn voorbereid en/of op elkaar zijn afgestemd. Zo moeten de windturbines van beide initiatiefnemers en in ieder cluster als een aparte inrichting worden beschouwd;

  • Ook geldt dat beide partijen zich tijdens overleggen apart laten vertegenwoordigen;

  • Waar geldt dat er wel een gezamenlijk milieueffectrapport is opgesteld, kan dat gegeven overigens niet doorslaggevend zijn voor het oordeel dat sprake is van één productie-installatie. Indien voor elke van de clusters een afzonderlijk milieueffectrapport zou zijn opgesteld, zou daarin voor wat betreft de effectbeoordeling immers ook met de andere initiatieven rekening moeten zijn gehouden, onder andere met het oog op eventuele cumulatieve effecten op het punt van geluidhinder en hinder door slagschaduw of op het punt van aanvaringsslachtoffers onder vogels en vleermuizen;

  • Tot slot is van belang dat zowel het samenwerkingsverband Windpark N33 en RWE eigen personeel en middelen hebben.


Gelet op het voorgaande kan naar mijn mening niet anders worden geoordeeld dan dat Windpark N33 geen geografische, technische, functionele en/of organisatorische samenhang vertoont. Het gevolg daarvan is, dat het windpark niet kan worden aangemerkt als één productie-installatie in de zin van artikel 9b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Elektriciteitswet 1998.


  1. Tussenconclusie: Rijkscoördinatieregeling is ten onrechte toegepast


Nu sprake is van drie aparte productie-installaties, is daarvan het gevolg dat de Rijkscoördinatieregeling ten onrechte is toegepast. Toepassing van de Rijkscoördinatieregeling is op grond van de Elektriciteitswet 1998 immers slechts mogelijk bij een productie-installatie van tenminste 100 MW. In ieder geval voor de twee productie-installaties ter hoogte van Veendam (cluster 2 en 3) wordt niet aan deze norm voldaan, waardoor niet het Rijk maar de provincie het bevoegd gezag is. Ik verwijs in dat kader naar het bepaalde in artikel 9e, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998:


Provinciale staten zijn bevoegd voor de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie voor opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie met een capaciteit van ten minste 5 maar niet meer dan 100 MW, met inbegrip van de aansluiting van die installatie op een net, gronden aan te wijzen en daarvoor een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening vast te stellen.”


Nu het Rijk niet bevoegd is tot vaststelling van het inpassingsplan, kan niet tot vaststelling van het inpassingsplan worden overgegaan. De zienswijze dient hierom gegrond te worden verklaard.





  1. REALISATIE WINDMOLENPARK IS IN STRIJD MET HET PROVINCIAAL- EN GEMEENTELIJK BELEID


Nu niet het Rijk, maar de provincie het bevoegd gezag is voor het opstellen en het vaststellen van het inpassingsplan, is het provinciale – en het daarmee in lijn zijn gemeentelijke – beleid bij het opstellen van het inpassingsplan ten onrechte terzijde geschoven. Ik licht dit hierna nader toe.


  1. De voorziene windturbines sluiten niet aan bij het vlakke, veenkoloniale landschap


Het plangebied maakt onderdeel uit van de Groninger Veenkoloniën, dat is een relatief open agrarisch landschap met grootschalige akkerbouwgebieden. Het open landschap kenmerkt zich met name door de weidsheid met een veelal nog herkenbare opstrekkende verkaveling. Deze wijze van verkaveling is een overblijfsel van de ontginningsgeschiedenis van Veendam. Vanaf de 17e eeuw werd het hoogveen rondom Veendam namelijk in ontginning genomen, waarbij het veen werd afgegraven ten behoeve van de turfwinning. De onderliggende zandgronden werden vervolgens ingericht voor de landbouw.


Het resultaat van de ontginning van het hoogveen was, dat een veenkoloniaal landschap werd gecreëerd met een bijna wiskundige systematiek.


Zowel op gemeentelijk als op provinciaal niveau is altijd over de band van bestemmingsplannen, beheersverordeningen, structuurvisies en omgevingsverordeningen geborgd dat dit historische landschap, met daarbij de kenmerkende openheid en de van oudsher aanwezige agrarische functie, werd behouden:


  • Zo volgt uit de op 1 juni 2016 vastgestelde provinciale Omgevingsvisie 2016 dat de provincie bij de realisatie van een windmolenpark, mede vanwege de invloed die zo’n windpark zal hebben op het landschap en de leefomgeving, de volgende inrichtingsprincipes van belang acht:


  • aansluiting bij het landschap;

  • herkenbare interne orde;

  • afstand tussen de parken.


  • Daarnaast volgt uit artikel 2.4.14 van de eveneens op 1 juni 2016 vastgestelde Omgevingsverordening 2016, dat een bestemmingsplan kan voorzien in de oprichting van windturbines op voorwaarde dat:


a. de windturbines deel gaan uitmaken van een park- of lijnopstelling; en,

b. ze geen grotere wieklengte hebben dan tweederde van de ashoogte.


  • Verder volgt uit het gemeentelijk beleid het uitgangspunt dat de gemeente voorstander is van de toepassing van duurzame energie. Voor wat betreft de realisatie van een windmolenpark heeft zij in dat kader vastgelegd dat realisatie daarvan mogelijk is, mits het park landschappelijk kan worden ingepast en de licht- en geluidhinder tot een minimum kan worden beperkt. Tevens dient een windmolenpark – zo dat er komt – zoveel mogelijk in de vorm van een parkopstelling te worden opgericht (zie de nota “Energiek met Energie, samen op naar een duurzaam Oost-Groningen”).


  • In de op 16 februari 2015 door de gemeenteraad vastgestelde structuurvisie Veendam wordt opgemerkt dat:


  • het gebied ten zuiden van de bedrijvenzone Dallen tussen de spoorlijn en de N33 door zijn karakteristieke openheid van bijzondere landschappelijke waarde is. Vanaf de doorgaande wegen ligt namelijk het lint van Wildervank als helder begrensde stedenbouwkundige structuur in het landschap. De bedoeling is dat het gebied open blijft om zo de structuur en identiteit van het lintdorp Wildervank te behouden;

  • in het oostelijk gelegen landelijk gebied buiten de linten van Meeden, Zuidwending, Ommelanderwijk en Bareveld wordt ingezet op het openhouden van het grootschalige landschap in een patroon van ‘open-lint-open’. De open gebieden zijn voornamelijk bestemd voor de grootschalige landbouw of andere grootschalige functies en landbouw gerelateerde bedrijvigheid. Daarbij blijft de landschappelijke hoofdopzet van wijken en kanalen leidend.


  • Tot slot is van belang dat het plangebied waar de windmolens van cluster 2 en 3 zijn voorzien op grond van de vigerende beheersverordening “Buitengebied Veendam” de bestemming “agrarisch” heeft en dat de ontwikkelingsmogelijkheden van het plangebied altijd aan andere, strengere regels zijn gebonden dan in delen waar dit herkenbare landschap in mindere mate zichtbaar is. Zo is voor wat betreft de toelaatbaarheid van ontwikkelingen altijd aansluiting gezocht bij de verkavelingsstructuur en zijn functies die afbreuk doen aan de openheid (waaronder bosaanplant) niet toegestaan. Ik verwijs daartoe ook naar de structuurvisie van Veendam waarin het volgende is opgenomen:


In het oostelijk gelegen gebied buiten de lint van Meeden, Zuidwending, Ommelanderwijk en Bareveld zal worden ingezet op het openhouden van het grootschalig landschap in een patroon van open-lint-open. De open gebieden zijn voornamelijk voor de grootschalige landbouw of andere grootschalige functies op het gebied van bijvoorbeeld de (energie)winning (magnesium, gas of wind).”


Ter illustratie wijs ik ook naar het westelijke deel van het buitengebied van Veendam. In tegenstelling tot het plangebied, zijn daar wel niet-agrarische functies toegestaan, omdat het (grootschalige) open agrarische landschap daar al deels verdwenen is. Dat gebied zou gelet hierop wel een mogelijkheid voor een windpark kunnen vormen.


Op de onderstaande kaart zijn de voornaamste landschappelijke kenmerken van het plangebied inzichtelijk gemaakt (bron: ontwerpbestemmingsplan Buitengebied Veendam):


Afbeelding 4


Uit deze kaart volgt, dat de opstrekkende verkaveling aan de oostzijde van Veendam een duidelijk patroon vertoont. De clusters 2 en 3 van het voorziene windpark doorbreken dit van oudsher reeds aanwezige verkavelingspatroon, omdat de windturbines verticaal- en dus in strijd met dit reeds van oudsher aanwezige – verkavelingspatroon zullen worden gerealiseerd. Daarbij komt, dat goed in het oog moet worden gehouden dat de voorziene windturbines van zo’n 200m hoogte het van oudsher en bewust open gehouden vlakke, veenkoloniale landschap op grove wijze doorbreken. De turbines zullen vanwege hun grote hoogte immers goed zichtbaar zijn vanuit een groot deel van Veendam. Ook ’s nachts zullen zij voor een onrustig beeld zorgen omdat de turbines voorzien zijn van obstakelverlichting.


Nu de voorziene windturbines in de clusters 2 en 3 op geen enkele wijze aansluiten op het door de provincie en gemeente beschermde vlakke, veenkoloniale landschap, kan niet anders geoordeeld worden, dan dat sprake is van strijd met zowel het provinciale als het gemeentelijke beleid. Het windmolenpark kan om die reden niet, althans niet op de thans voorziene wijze worden gerealiseerd.


  1. Herkenbare interne orde ontbreekt


Het windpark is tevens in strijd met het gemeentelijk en provinciaal beleid, omdat in het ontwerp-inpassingsplan niet is gewaarborgd dat de verschillende initiatiefnemers voor alle clusters waaruit het windmolenpark bestaat exact dezelfde windturbines gaan realiseren. Het ontwerp-inpassingsplan kent daartoe geen voldoende objectief begrensde voorschriften. Waar artikel 4.2a onder 5 van de planregels voorschrijft dat de windturbines per lijnopstelling en voor cluster noord identiek moeten zijn, is met die omschrijving immers nog niet geborgd dat ook daadwerkelijk in alle clusters identieke windturbines worden gerealiseerd. De kans dat er daadwerkelijk verschillende windturbines worden gerealiseerd, acht ik overigens reëel nu sprake is van vier verschillende inrichtingen, de initiatiefnemers zich niet hebben verenigd in een samenwerkingsverband, beschikken over eigen – van elkaar gescheiden – middelen waardoor ze volledig zelfstandig van elkaar kunnen opereren en zich evenmin gezamenlijk laten vertegenwoordigen.


Het gevolg van het voornoemde gebrek aan samenwerking, afstemming en borging in de planregels is, dat in het ontwerp-inpassingsplan niet geborgd is dat er een herkenbare interne orde ontstaat. Hierdoor is sprake van strijd met zowel het provinciale als het gemeentelijke beleid.


  1. Windpark vertoont geen samenhang; ontbreken van park- of lijnopstelling


In de derde plaats is sprake van strijd met het provinciaal en gemeentelijk beleid, omdat uit de op pagina 4 van deze zienswijze opgenomen illustratie van het windpark volgt, dat de drie clusters geen enkele samenhang met elkaar vertonen. Waar de Omgevingsverordening voorschrijft dat een park- of lijnopstelling dient te worden gehanteerd, is nu gekozen voor zowel een park- als een lijnopstelling. Clusters 2 en 3 kennen immers een lijnopstelling, terwijl cluster 1 veeleer alle kenmerken heeft van een parkopstelling. Voor wat betreft de lijnopstelling is overigens nog van belang dat die opstelling het van oudsher in het plangebied aanwezige verkavelingspatroon doorbreekt en uit het gemeentelijk beleid nu juist een grote voorkeur voor een parkopstelling volgt. Nu het voorziene windpark op geen enkele wijze blijk geeft van enige samenhang, is ook hierom sprake van strijd met het provinciale en gemeentelijke beleid.


  1. Tussenconclusie


Gelet op het voorgaande komt realisatie van de drie clusters van het voorziene windmolenpark in strijd met het provinciale en gemeentelijke beleid nu het windpark niet aansluit bij het landschap, geen herkenbare interne orde kent en het windpark geen enkele samenhang vertoont. Realisatie van het windpark op de thans voorziene wijze is dan ook op geen enkele wijze mogelijk (vgl. ook ABRvS 3 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1761), zeker niet nu de provincie in plaats van het Rijk het bevoegd gezag is tot vaststelling van het inpassingsplan. Ook hierom dient de zienswijze gegrond te worden verklaard.



  1. VARIANT 6 HAD HET VOORKEURSALTERNATIEF MOETEN ZIJN


Los van het bovenstaande is de Gemeente van mening dat variant 6 het voorkeursalternatief had moeten zijn in plaats van het thans voorliggende voorkeursalternatief. Variant 6, waarbij alle turbines in één cluster c.q. park komen te liggen in de hoek van de N33 en de A7, scoort namelijk op alle door het Rijk omschreven maatgevende onderdelen beter. Zo ondervinden er beduidend minder mensen hinder en vindt er minder verstoring van het karakteristieke landschap plaats. Daarbij komt dat de keuze voor variant 6 – anders dan de voorkeursvariant – aansluit bij het provinciale en gemeentelijke beleid, dat uitgaat van een voorkeur voor een parkopstelling.


Afbeelding 5

Verbeelding variant 6


  1. Kenmerkende uitgangspunten voor keuze voorkeursalternatief


Bij het bepalen van het voorkeursalternatief zijn door het Rijk de volgende maatgevende onderdelen tot uitgangspunt genomen:


  • Het zoveel mogelijk verminderen van de geluidhinder;

  • Het behouden van een zo groot mogelijke afstand tot de woonkernen;

  • Een goede landschappelijke inpassing, en;

  • Gelijke toepassing van de criteria in de verschillende gemeenten.


Daarbij is, zo volgt ook uit de beantwoording van de zienswijze op het voorontwerp-inpassingsplan, het meeste gewicht toegekend aan de eerste drie criteria. Hierna wordt onderbouwd dat variant 6 beter aansluit bij deze drie criteria.




  1. Variant 6 scoort beter op alle maatgevende onderdelen


In het milieueffectrapport is op pagina 272 een tabel opgenomen met daarin de milieueffecten van het voorkeursalternatief, afgezet tegen de milieueffecten van (onder andere) variant 6. Daaruit volgt, dat de beide varianten op vele onderdelen gelijkwaardig scoren. Echter op de door het Rijk omschreven maatgevende onderdelen scoort variant 6 beter:


  1. Variant 6 scoort beter op het onderdeel geluid

Variant 6 vormt qua geluidhinder de meest optimale variant, omdat er geen gehinderden wonen binnen de 47 Lden contour, er slechts 11 gehinderden binnen de 47 tot 42 Lden contour en er binnen de 42 tot 37 Lden contour in de landelijke gebieden slechts 38 gehinderden zijn.


Hoewel ook de kernen Meeden en Zuidbroek in variant 6 vallen binnen de laatstgenoemde contour, geldt dat deze kernen ook in het voorkeursalternatief onder de 42 tot 37 Lden contour vallen. Het voordeel van variant 6 ten opzichte van het voorkeursalternatief is echter dat er bij variant 6 geen gehinderden zijn in de zuidelijke en noordelijke wijken van Veendam, Wildervank, Ommelanderwijk, Zuidwending en Muntendam. Het gevolg hiervan is dat variant 6 voor wat betreft het onderdeel geluid aanzienlijk beter scoort.


  1. Variant 6 scoort beter op het onderdeel slagschaduw, omdat er een grotere afstand tot de woonkernen wordt geborgd

Ook voor wat betreft de slagschaduw die de windturbines zullen veroorzaken, vormt variant 6 de meest optimale variant. Volgens de berekeningen zijn er in variant 6 namelijk slechts 14 woningen die meer dan 6 uur per jaar hinder zullen ondervinden van slagschaduw. De reden daarvan is mede daarin gelegen dat in variant 6 een grotere afstand tot de woonkernen wordt geborgd.


Nu er in variant 6 slechts voor enkele woningen in verband met slagschaduw in een stilstandsvoorziening hoeft te worden voorzien, is daarvan het gevolg dat de te realiseren windturbines vele malen effectiever en efficiënter inzetbaar zijn. Gelet hierop leidt de keuze voor variant 6 niet alleen tot minder gehinderden, maar ook tot een hogere energieopbrengst.


  1. Variant 6 scoort beter op het onderdeel landschappelijke inpassing

In de derde plaats scoort variant 6 beter op het punt van landschappelijke inpassing. Zoals hiervoor reeds uiteen is gezet, staan de voorziene clusters 2 en 3 van het voorkeursalternatief namelijk haaks op het van oudsher in het plangebied aanwezige verkavelingspatroon. Nu met de lijnopstelling van de clusters 2 en 3 op geen enkele wijze rekening is gehouden met de verkavelingsstructuur, leidt het voorkeursalternatief op geen enkele wijze tot een goede landschappelijke inpassing. Verder is van belang dat het voorkeursalternatief slechts op 4 km afstand is gelegen van het windpark Drentse Monden – Oostermoer, terwijl cluster 1 en 3 zo’n 8 km van elkaar zijn voorzien. Het gevolg daarvan is, dat er vanuit landschappelijk oogpunt geen enkele samenhang bestaat tussen de drie verschillende clusters en dat het vanuit landschappelijk oogpunt volledig onduidelijk is waar het ene windpark begint en het andere eindigt. Het voorkeursalternatief bestaat hierdoor uit drie aparte “plukjes” die, vanwege de toepasselijkheid van de Rijkscoördinatieregeling, voor het gemak worden gezien als één windpark terwijl daar vanuit landschappelijk oogpunt geen enkele aanleiding toe bestaat.


De voornoemde landschappelijke nadelen kent variant 6 niet. In die variant zijn immers alle windmolens in één cluster voorzien, waardoor de historische verkavelingsstructuur ter hoogte van Veendam niet wordt doorbroken. Daarbij komt dat de keuze voor variant 6 – anders dan de voorkeursvariant – aansluit bij het provinciale en gemeentelijke beleid, dat uitgaat van een voorkeur voor een parkopstelling. Voorts bevindt het windmolenpark Drentse Monden – Oostermoer zich op bijna 15 km afstand van de zuidelijkste windturbine in variant 6, waardoor niet het gevaar ontstaat dat de twee windmolenparken als één geheel worden gezien.



  1. Tussenconclusie


Nu variant 6 op alle maatgevende onderdelen beter scoort dan het voorkeursalternatief, is de keuze voor het voorkeursalternatief op geen enkele wijze begrijpelijk en bovendien in strijd met een goede ruimtelijke ordening. De zienswijze dient daarom ook hierom gegrond te worden verklaard.


  1. AANWIJZING VOORLOPIGE BESTEMMING NIET MOGELIJK EN LEIDT TOT STRIJD MET ALGEMENE BEGINSELEN


Naast het voornoemde, kan ik mij ook niet vinden in de inhoud van het thans voorliggende ontwerp-inpassingsplan zelf. Ik richt mijn zienswijze in dat kader eerst tegen artikel 4 van de planregels.


Uit artikel 4 van de planregels volgt dat op de gronden waarop het windpark is voorzien, de bestemming “Bedrijf-Windturbinepark Voorlopig” rust. Deze voorlopige bestemming geldt 30 jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van het plan. Na het verstrijken van die termijn gelden voor de als “Bedrijf-Windturbinepark Voorlopig” aangewezen gronden weer de bestemmingen zoals die voor die gronden zijn neergelegd in de onderliggende bestemmingsplannen of beheersverordeningen, zo volgt uit de planregels. Ik ben van mening dat aanwijzing van een voorlopige bestemming in dit geval niet mogelijk is en bovendien leidt tot strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.


  1. Juridisch kader


Blijkens de toelichting bij het ontwerp-inpassingsplan is het aanwijzen van een voorlopige bestemming mogelijk gemaakt middels het Besluit van 8 juli 2016 tot wijziging van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet en van bijlage II van de Crisis- en herstelwet (Stb. 2016, 276).


Met dit besluit is een experiment aan het Besluit uitvoering Chw toegevoegd ten behoeve van het “voorlopig bestemmen van windturbineparken”. Artikel 2.4 van de Chw vormt in dat kader de grondslag voor de regulering van een dergelijk experiment. In dat licht is van belang dat artikel 2.4 lid 3 van de Chw cumulatief eist dat in de betreffende regeling wordt bepaald:


  1. Welke afwijking of afwijkingen van de in het eerste lid van artikel 2.4 genoemde wetten is of zijn toegestaan;

  2. De ten hoogste toegestane tijdsduur van die afwijking of afwijkingen, en;

  3. De wijze waarop wordt vastgesteld of een afwijking aan haar doel beantwoordt en of de tijdsduur daarvan aanpassing behoeft.


De mogelijkheid tot het voorlopig bestemmen van windturbineparken is geregeld in artikel 7o van het Besluit uitvoering Chw. Daarin is onder meer bepaald dat:


  • Aan de in het eerste lid van dat artikel genoemde gronden voorlopige bestemmingen kunnen worden toegekend voor het bouwen en in werking hebben van een windturbine voor een termijn van tussen de 25 en 30 jaar, en;

  • De voorlopige bestemming uiterlijk vijf jaar na inwerkingtreding van dit Besluit wordt vastgesteld.


Tevens volgt uit de toelichting bij dit artikel dat de planvaststeller de termijn waarvoor de voorlopige bestemming geldt, moet vaststellen op basis van de informatie van de initiatiefnemer van het windturbinepark en de lokale omgevingsfactoren en dat na de periode van 25 tot 30 jaar een andere, definitieve bestemming voor de gronden gaat gelden, die al bij hetzelfde bestemmings- of inpassingsplan is toegekend (Stb. 2016, 276, p. 32 en 33).


Uit het advies van de Raad van State, dat betrekking had op artikel 7o van het Besluit uitvoering Chw, volgt dat het toekennen van een voorlopige bestemming slechts mogelijk is in combinatie met een definitieve bestemming (vgl. ABRvS 20 augustus 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BE8848).


  1. Artikel 7o is in strijd met artikel 2.4 Chw


Vooreerst is ben ik van mening dat artikel 7o van het Besluit uitvoering Chw in strijd is met het bepaalde in artikel 2.4 van de Chw.


In de eerste plaats geldt namelijk dat artikel 7o niet de betekenis heeft die de wetgever bij het opstellen van artikel 2.4 van de Chw voor ogen heeft gehad. Het idee achter de mogelijkheid van het treffen van een experimenteerregeling op grond van artikel 2.4 van de Chw is namelijk, dat de wetgever het wenselijk achtte om bepaalde functies (langer dan de planperiode van 10 jaar) te laten voortbestaan. Uit de tekst en toelichting bij artikel 7o van het Besluit uitvoering Chw volgt echter, dat het voortbestaan van de betreffende functies niet de reden vormde voor de opname van artikel 7o, maar dat men het wenselijk achtte om te borgen dat de windmolens na een periode van 30 jaar worden vernieuwd zodat die blijven voldoen aan de nieuwste technieken. Het bereiken van een dergelijke doelstelling is echter in strijd met artikel 2.4 van de Chw. Artikel 2.4 van de Chw kan daarmee dan ook niet de wettelijke basis vormen voor artikel 7o van het Besluit uitvoering Chw.


In de tweede plaats is van belang dat artikel 2.4 lid 3 onder b van de Chw bepaalt dat in het Besluit uitvoering Chw de ten hoogste toegestane tijdsduur van de afwijking of afwijkingen moet worden bepaald. Gelet op de inhoud van artikel 7o is die bepaling door de Minister uitgelegd als bepaling in de tijd waarbinnen van de afwijkingsbevoegdheid gebruik mag worden gemaakt. Een dergelijke uitleg strookt niet met de in artikel 2.4 lid 3 sub b van de Chw opgenomen ten hoogste toegestane tijdsduur van de betreffende afwijking(en) zelf. Een dergelijke tijdsduur kent artikel 7o niet.


Tot slot meen ik dat artikel 7o in strijd is met het bepaalde in artikel 2.4 lid 3 sub c van de Chw. In artikel 7o is namelijk geen regeling opgenomen over de wijze waarop wordt vastgesteld of de afwijking aan haar doel beantwoordt en of de tijdsduur daarvan aanpassing behoeft.


Nu artikel 7o van het Besluit uitvoering Chw naar mijn mening in strijd is met artikel 2.4 van de Chw, dient aan artikel 7o verbindende kracht te worden ontzegd (vgl. ook ABRvS 3 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:201). Het gevolg hiervan is, dat artikel 4 van de planregels niet op artikel 70 van het Besluit uitvoering Chw gebaseerd had mogen worden.


  1. Inpassingsplan kent ten onrechte geen definitieve bestemming toe aan gronden


In de tweede plaats geldt dat in het ontwerp-inpassingsplan ten onrechte geen definitieve bestemming is toegekend aan de met een voorlopige bestemming aangewezen gronden.


Zoals hiervoor reeds uiteen is gezet, is op grond van artikel 7o van het Besluit uitvoering Chw namelijk vereist dat in hetzelfde plan – hier dus het inpassingsplan – aan de gronden een definitieve bestemming wordt toegekend. Nu artikel 4.3.1 van de planregels uitdrukkelijk voorbijgaat aan die eis door te verwijzen naar de onderliggende bestemmingsplannen c.q. beheersverordeningen, is daarvan het gevolg dat het ontwerp-inpassingsplan in strijd is met artikel 7o van het Besluit uitvoering Chw. Het inpassingsplan kan dan ook niet worden vastgesteld.


  1. Voorlopige bestemming is in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur


Tot slot is artikel 4.2 van het ontwerp-inpassingsplan in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Uit dat artikel volgt namelijk zonder motivering dat de voorlopige bestemming geldt voor een periode van 30 jaar.


Nu uit de tekst en toelichting bij artikel 7o van het Besluit uitvoering Chw volgt dat een voorlopige bestemming voor een termijn van tussen de 25 en 30 jaar kan worden vastgesteld en dat de exacte lengte van die termijn dient te worden bepaald op basis van de informatie van de initiatiefnemer van het windturbinepark en de lokale omgevingsfactoren, is het in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur om zonder nadere motivering voor een periode van 30 jaar een voorlopige bestemming op deze gronden te leggen. Dat klemt te meer nu de initiatiefnemers blijkens de aanvragen om omgevingsvergunning zelf hebben verzocht om verlening van een vergunning voor onbepaalde tijd.


  1. Tussenconclusie


Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat het inpassingsplan niet kan worden vastgesteld op de thans voorziene wijze omdat sprake is van strijd met het bepaalde in artikel 2.4 van de Chw, artikel 7o van het Besluit uitvoering Chw en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.


  1. INPASSINGSPLAN KENT TEN ONRECHTE GEEN STILSTANDSREGELING


Uit het milieueffectrapport volgt dat er als gevolg optredende slagschaduwhinder maatregelen moeten worden getroffen in de vorm van een stilstandsregeling.


In het ontwerp-inpassingsplan is niet in een stilstandsregeling voorzien, waardoor het ontwerp-inpassingsplan onzorgvuldig is voorbereid. Nu een dergelijke regeling ter mitigatie van de als gevolg van de realisatie van het windmolenpark ontstane milieueffecten wel noodzakelijk is, verzoekt ik om in het inpassingsplan alsnog in een adequate en afdwingbare stilstandsregeling te voorzien. Het “doorschuiven” van deze verplichting naar de mogelijk te verlenen omgevingsvergunningen is overigens niet mogelijk (vgl. ABRvS 27 mei 2015, ECLIL:NL:RVS:2014:1621 en ABRvS 11 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2252).


  1. NIET IS GEWAARBORGD DAT IN HET GEHELE PARK EXACT DEZELFDE WINDTURBINES WORDEN GEREALISEERD


  1. Geen waarborgen binnen N33


Zoals hiervoor reeds uiteen is gezet, worden de drie clusters door verschillende initiatiefnemers gerealiseerd. De clusters zijn zodanig vormgegeven dat door het Rijk zoveel als mogelijk rekening wordt gehouden met de grondposities die private partijen al vooruitlopend of speculerend op de mogelijke komst van een windpark hadden ingenomen. Deze financiële belangen blijken nu ook voor de ruimtelijke uitstraling van het windpark doorslaggevend te zijn geweest. Immers, de initiatiefnemers worden blijkens artikel 4.1.2a onder 5 van de planregels op geen enkele wijze verplicht om exact dezelfde windturbines (dus van hetzelfde merk en dezelfde kenmerken) te realiseren.


Het realiseren van dezelfde windturbines is echter wel noodzakelijk voor het verkrijgen van de voor een goede ruimtelijke ordening noodzakelijke goede landschappelijke inpassing en het voorkomen van visuele hinder. Wegens het ontbreken van een daartoe strekkend, voldoende objectief begrensd, voorschrift kan dan ook niet anders worden geconcludeerd dan dat sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening.


  1. Geen waarborgen voor eenheid tussen N33 en Drentse Monden – Oostermoer


Zoals wij hiervoor reeds hebben opgemerkt, zijn de windparken Drentse Monden - Oostermoer en N33 erg dicht bij elkaar voorzien. Zo bedraagt de afstand tussen het zuidelijkste punt van cluster 3 en het Windpark Drentse Monden – Oostermoer slechts 4 kilometer. Ter vergelijking merk ik op, dat de afstand tussen het zuidelijkste punt van cluster 1 en het noordelijkste punt van cluster 2 zo’n 4 kilometer bedraagt en de afstand tussen het zuidelijkste punt van cluster 1 en het noordelijkste punt van cluster 3 maar liefst 8 kilometer.


Het gevolg hiervan is, dat het windpark Drentse Monden – Oostermoer hoe dan ook zal interfereren met de in windpark N33 voorziene windturbines. Nu de afstand tussen Drentse Monden – Oostermoer en cluster 3 zelfs de helft kleiner is dan de afstand tussen cluster 1 en 3, dient naar mijn mening vanuit ruimtelijk oogpunt in het ontwerp-inpassingsplan geborgd te worden dat de beide windparken een gelijke verschijningsvorm hebben en dat de windturbines afkomstig dienen te zijn van dezelfde fabrikant. Tevens had moeten worden onderzocht wat de gevolgen zijn van de cumulatie van de visuele hinder, die gezien de ligging van het thans voorziene windpark hoe dan ook met windpark Drentse Monden – Oostermoer zal optreden. Alleen op die manier kan immers een goede landschappelijke inpassing worden geborgd.


  1. Tussenconclusie


Gelet op het voorgaande is sprake van strijd met een goede ruimtelijke ordening, nu in het ontwerp-inpassingsplan op geen enkele wijze is geborgd dat zowel de windturbines binnen Windpark N33 als de windturbines binnen het Windpark Drentse Monden – Oostermoer identiek zijn en er geen onaanvaardbare (gecumuleerde) visuele hinder ontstaat.


  1. REFERENTIETURBINES VOLDOEN NIET AAN BBT


Uit het inpassingsplan volgt dat de drie clusters tezamen voorzien in een windpark van ongeveer 120 MW. Daartoe zijn blijkens het voorkeursalternatief in totaal 35 windturbines vereist in de 3 tot 5 MW klasse (de “referentieturbines”).


Uit het milieueffectrapport volgt echter dat de gebruikte referentieturbines niet aansluiten bij de BBT. Er zijn namelijk nieuwe, effectievere windturbines beschikbaar. Deze windturbines, waarvan de effecten zijn onderzocht, hebben grotere rotoren en worden gebouwd op steeds hogere ashoogte. Hierdoor kan met het gebruik van gelijke generatoren meer energie worden opgewekt. Uit de in de aanvulling bij het milieueffectrapport uitgevoerde vergelijking tussen de nieuwe windturbines en de voor het inpassingsplan onderzochte windturbines volgt, dat de milieueffecten van de beide turbines gelijk zijn, zij het dat de energieopbrengst van de nieuwe turbines zo’n 27% hoger is:


  • Geluid: grotere windturbines hebben geen grotere geluideffecten. Ook hier zijn aldus geen mitigerende maatregelen nodig;

  • Slagschaduw: hoewel de slagschaduwhinder net wat groter zal zijn dan bij de thans voorziene windturbines, is de hierdoor voorziene hinder – net als bij het voorkeursalternatief – goed op te vangen door toepassing van mitigerende maatregelen als een stilstandsvoorziening;

  • Externe veiligheid: de effecten blijven gelijk;

  • Landschap: de score ten opzichte van het voorkeursalternatief verandert niet;

  • Energieopbrengst: het toepassen van turbines met een grotere rotordiameter op een hogere ashoogte leidt tot circa 27% meer kWh opbrengst in vergelijking tot de referentieturbine in het voorkeursalternatief.


Nu de energieopbrengst van de nieuwe turbines zo’n 27% hoger is, is daarvan het gevolg dat met gebruikmaking van de BBT zo’n 9 windturbines minder kunnen worden gerealiseerd om de energiedoelstelling van 120 MW te kunnen blijven halen. Het gebruik van de BBT betekent in alle gevallen dus milieuwinst. Nu in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu de best beschikbare technieken moeten worden toegepast en toepassing van die technieken er hoe dan ook toe leidt dat er bij gelijkblijvende milieueffecten minder windturbines nodig zijn, ben ik van mening dat in het ontwerp-inpassingsplan geborgd had moeten worden dat de voorziene 120 MW aan energieopbrengst door middel van het gebruik van de BBT moet worden behaald. Op deze plek merkt ik nog op dat borging van die norm te meer noodzakelijk is nu uit de aanvragen om omgevingsvergunning volgt dat de definitieve keuze voor het windturbinetype pas plaatsvindt ná afronding van de besluitvorming. Nu enige vorm van inspraak op de keuze van het type windturbine niet mogelijk is, dient op zijn minst gewaarborgd te worden dat die windturbines voldoet aan de BBT.


  1. Vermindering windturbines dient in cluster 2 en 3 plaats te vinden


De circa 9 windturbines die als gevolg van de toepassing van BBT minder hoeven te worden gerealiseerd, zouden naar mijn mening geschrapt moeten worden in de voorziene clusters 2 en 3 van het voorkeursalternatief. De reden daarvan is, dat de daar voorziene windturbines aparte clusters vormen en er voor deze clusters in geen geval sprake is van een goede landschappelijke inpassing. In dat kader sluit ik mij ook aan bij de aanvulling van het milieueffectrapport, waaruit volgt dat de landschappelijke kwaliteit en herkenbaarheid van het windpark zal toenemen indien het windmolenpark wordt geconcentreerd in cluster 1. Onbegrijpelijk is dan ook dat het ontwerp-inpassingsplan zonder enige motivering voorbijgaat aan deze conclusie.


  1. Tussenconclusie


Nu in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu de best beschikbare technieken moeten worden toegepast en toepassing van de BBT er hoe dan ook toe leidt dat er bij gelijkblijvende milieueffecten minder windturbines nodig zijn, meen ik dat in het ontwerp-inpassingsplan geborgd had moeten worden dat de voorziene 120 MW aan energieopbrengst door middel van het gebruik van de BBT moet worden behaald en dat de als gevolg daarvan ontstane milieuwinst dient te leiden tot het (deels) schrappen van de clusters 2 en 3 uit het voorkeursalternatief.


  1. VOORKEURSALTERNATIEF KENT GEEN GOEDE LANDSCHAPPELIJKE INPASSING


Ik vind verder, op grond van de hiernavolgende redenen, dat het voorkeursalternatief geen goede landschappelijke inpassing kent.


In de eerste plaats is van belang dat de voorziene clusters 2 en 3 van het voorkeursalternatief haaks staan op het van oudsher in het plangebied aanwezige verkavelingspatroon. Nu met de thans voorziene lijnopstelling op geen enkele wijze rekening is gehouden met het verkavelingspatroon, leidt het voorkeursalternatief niet tot een goede landschappelijke inpassing.


Daarbij komt, dat uit de Omgevingsverordening van de provincie Groningen volgt, dat een park- of lijnopstelling dient te worden gehanteerd. Uit de voorkeursvariant volgt echter, dat is gekozen voor een park- als een lijnopstelling. Clusters 2 en 3 kennen immers een lijnopstelling, terwijl cluster 1 veeleer alle kenmerken heeft van een parkopstelling. Ook hierom kan niet worden gesproken van een goede landschappelijke inpassing.


In de derde plaats geldt dat niet is geborgd dat de windturbines binnen Windpark N33 identiek moeten zijn. Hierdoor bestaat er vanuit landschappelijk oogpunt geen enkele samenhang tussen de drie verschillende clusters. Bovendien is het vanuit landschappelijk oogpunt volledig onduidelijk waar het ene cluster begint en het andere eindigt. Het voorkeursalternatief bestaat hierdoor uit drie aparte “plukjes” die, vanwege de toepasselijkheid van de Rijkscoördinatieregeling, voor het gemak worden gezien als één windpark terwijl daar vanuit landschappelijk oogpunt geen enkele aanleiding toe bestaat.


Tot slot is nog van belang dat het voorkeursalternatief slechts 4 km is gelegen van het windpark Drentse Monden – Oostermoer, terwijl cluster 1 en 3 zo’n 8 km van elkaar komen te liggen. Nagelaten is echter, om bij de keuze voor en vormgeving van de windparken een integrale provinciegrensoverschrijdende ruimtelijke visie op de Veenkoloniën als geheel vast te stellen. Het gevolg daarvan is dat er binnen een straal van enkele kilometers twee totaal verschillend vormgegeven en niet bij elkaar passende windparken worden gerealiseerd. De karakteristieke kenmerken van de veenkoloniën gaan hierdoor ten koste van het financieel gewin dat met het realiseren van een windpark te behalen is. Feit is echter dat financiële belangen, in tegenstelling tot landschappelijke belangen, bij de vaststelling van een inpassingsplan niet ruimtelijk relevant zijn. Geconcludeerd moet dan ook worden dat sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening door geen acht te slaan op de landschappelijke gevolgen van de veenkoloniën als geheel.


Nu er, gelet op het voorgaande, geen sprake is van een goede landschappelijke inpassing kan het inpassingsplan niet worden vastgesteld.


  1. GEVOLGEN VOOR FLORA EN FAUNA ZIJN ONVOLDOENDE IN DE AFWEGING BETROKKEN


Ik meen dat de gevolgen voor de in en rondom het plangebied aanwezige flora en fauna in het ontwerp-inpassingsplan onvoldoende c.q. onzorgvuldig in de afweging zijn betrokken. Het gevolg daarvan is, dat ten onrechte is vastgesteld dat het windpark geen significant verstorende effecten heeft op de aanwezige flora en fauna.


  1. Telgegevens voor het noordelijke deel van het plangebied zijn onvoldoende accuraat


Uit de passende beoordeling, die als bijlage 4 bij het ontwerp-inpassingsplan is gevoegd, volgt dat voor de aanwezigheid en verspreiding van watervogels binnen en rondom het plangebied gegevens zijn opgevraagd van het Natuurloket. Zoals volgt uit de op pagina 21 van de passende beoordeling opgenomen illustratie, heeft het Natuurloket van een groot deel van het noordelijke deel van het plangebied geen gegevens. Hoewel vervolgens voor de effectbepaling in dit deel van het plangebied gebruik is gemaakt van een extrapolatie op grond van gebiedskenmerken en van de gegevens van omliggende telgebieden, aangevuld met waarnemingen van de website waarneming.nl, kan niet worden ontkend dat de telgegevens voor het noordelijke deel van het plangebied onvoldoende accuraat zijn: men heeft zich immers moeten baseren op schattingen.


Het ontbreken van telgegevens leidt ertoe dat de conclusies die in de passende beoordeling worden getrokken, niet (zonder meer) gevolgd kunnen worden. Zonder nader – accuraat en niet op schattingen gebaseerd – onderzoek, staat immers niet vast dat het windpark geen significant verstorende effecten heeft op de in en rondom het plangebied aanwezige flora en fauna. Ik wijs in dat licht in het bijzonder naar de conclusies die in de passende beoordeling worden getrokken over het aantal aanvaringsslachtoffers en het toepasselijke mortaliteitscijfer.


Nu de conclusies uit de passende beoordeling één-op-één zijn overgenomen in het ontwerp-inpassingsplan, kan het ontwerp-inpassingsplan om dezelfde redenen niet in stand blijven.


  1. Tussenconclusie


Gelet op het voorgaande heeft de passende beoordeling op onzorgvuldige wijze plaatsgevonden. Op basis van de thans beschikbare onderzoeksgegevens kon – en mocht – het Rijk niet de conclusie trekken dat geen significant verstorende effecten zouden optreden. De zienswijze is ook hierom gegrond.


  1. INPASSINGSPLAN IS NIET UITVOERBAAR WEGENS ONTBREKEN KADER VOOR ONDERHOUDSWEGEN


Uit de toelichting bij het ontwerp-inpassingsplan volgt dat de windturbines bereikbaar zullen zijn via nog aan te leggen onderhoudswegen. Deze wegen worden zowel bestemd voor het bereiken van de windturbines met zwaar materieel tijdens de bouw, als voor de onderhoudswerkzaamheden na realisatie van de windturbines. Het gebruik van de onderhoudswegen zal, zo volgt uit de toelichting, (tijdelijk) zorgen voor een verhoging van de verkeersintensiteit op de (lokale) wegen. De onderhoudswegen zullen, zo volgt uit de toelichting, maximaal vijf meter breed worden en er zal zoveel mogelijk de kortste route worden aangehouden.


In het ontwerp-inpassingsplan is niet opgenomen op welke wijze de wegen verkeerskundig worden vormgegeven. Evenmin volgt uit het inpassingsplan welke concrete gevolgen de toename van de verkeersintensiteit zal hebben voor het reeds aanwezige verkeer op de (lokale) wegen en of de toename van de verkeersintensiteit niet aan de uitvoerbaarheid van het inpassingsplan in de weg staat. Nu hier ten onrechte niet in is voorzien, is het ontwerp-inpassingsplan in strijd met een goede ruimtelijke ordening.


  1. TOETSAFSTANDEN TOT ONDERGRONDSE BUISLEIDINGEN ZIJN NIET GEBORGD


Uit het ontwerp-inpassingsplan volgt dat in het voorkeursalternatief voor één windturbine niet kan worden voldaan aan de geldende toetsafstand van 200 meter tot ondergrondse transportleidingen. Nu hierdoor mogelijk negatieve gevolgen kunnen ontstaan voor de leveringszekerheid en het hoogspanningsnetwerk dient de eigenaar van de betreffende transportleidingen (hier: de NAM) in te stemmen met de realisatie van het windpark. Uit het ontwerp-inpassingsplan volgt niet dat reeds instemming is verkregen. Het ontwerp-inpassingsplan is daarmee in strijd met een goede ruimtelijke ordening.




  1. KEUZE VOOR GROTERE WINDTURBINES LEIDT TOT KLEINER PARK


Voorts richt ik mijn zienswijze nog tegen het gegeven dat in het ontwerp-inpassingsplan ten onrechte niet is gewaarborgd dat de windturbines moeten aansluiten bij de best beschikbare technieken (BBT).


  1. ZORGVULDIGE AFWEGING VAN DE GEZONDHEIDSASPECTEN ONTBREEKT


Los van het bovenstaande, meen ik dat een zorgvuldige afweging van de gezondheidsaspecten, die de realisatie van een windpark met zich zal brengen, ontbreekt. De thans reeds voorziene cumulatie van hinderaspecten kan namelijk aanzienlijke gevolgen hebben voor de volksgezondheid. Ook de eventuele psychische schade die bewoners zullen oplopen door het onverkoopbaar worden van hun woningen, moet niet worden onderschat. Gelet hierop verzoekt ik u om het gezondheidsaspect bij de vaststelling van het inpassingsplan zorgvuldig in de afweging te betrekken en niet slechts te volstaan met een milieutoets.


  1. REALISATIE VAN HET WINDPARK IS FINANCIEEL NIET UITVOERBAAR


Tot slot wijs ik erop dat de economische uitvoerbaarheid van het plan niet is aangetoond. In het ontwerp-inpassingsplan wordt namelijk zonder nadere motivering gesteld dat de investeringen worden terugverdiend door de verkoop van opgewekte elektriciteit en mogelijke subsidiëring via de stimuleringsregeling SDE+. Zonder nadere onderbouwing van de financiële uitvoerbaarheid betwijfel ik of de kosten die de initiatiefnemers moeten maken wel voldoende zijn om de investeringen terug te verdienen.


  1. SLOT


Gelet op het voorgaande verzoek ik u om het inpassingsplan niet vast te stellen omdat er geen noodzaak bestaat tot het oprichten van een windmolenpark en u niet bevoegd bent tot vaststelling van het inpassingsplan.


Voor zover u wel tot vaststelling van het inpassingsplan over zou gaan, verzoek ik u om dat dan in ieder geval te doen met inachtneming van deze zienswijze.


Hoogachtend,






……………………………………………………..

Ondertekening.


src="/dsresource?objectid=a260ea31-5e90-4cce-af10-69f2df6d8004&&subobjectname=dsimg__7e4414f2.jpg"src="/dsresource?objectid=a260ea31-5e90-4cce-af10-69f2df6d8004&&subobjectname=dsimg__442c887b.png"1 Kamerstukken II 2007/08, 31 326, nr. 3, p. 15.

2 Kamerstukken II 2007/08, 31 326, nr. 6, p. 5.

Zienswijze ontwerp-inpassingsplan Windpark N33 22